
Populus canadensis ' Serotina' ![]()
(H. A. Van der Meiden - Wageningen - Holland - 1962)
Al onze door de N.A.K.B. gecontroleerde populieren zijn produkten van kruisingen waarin P. nigra en de reeds in de 17° eeuw uit Noord-Amerika geimporteerde P. deltoides zijn betrokken. Men heeft hierin van oudsher geselecteerd en goede populieren vegetatief vermeerderd. Deze selectie heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van cultuurvarieteiten (cultivars); elke cultivar bestaat uit populieren die, naar men aannam, geen belangrijke verschillen vertonen. De verfijnde beschrijvingsmethoden van de laatste tijd hebben echter aangetoond dat verscheidene cultivars uit meer klonen bestaan, d.w.z. dat het oorspronkelijke materiaal uit meer dan een boom afkomstig is.
'Serotina' is de meest verspreide populier in de oude beplantingen in Nederland en wordt algemeen ook als de oudste in Europa gekweekte cultuurvarieteit beschouwd. Al voor 1700 moet hij ontstaan zijn, vermoedelijk in Frankrijk. Geleidelijk is hij over heel Europa verspreid en zou in de tweede helft van de 18° eeuw al in Nederland aanwezig zijn geweest. Hier heeft hij de P. nigra snel verdrongen en wel zo volledig, dat zelfs de naam zwarte populier op 'Serotina' is overgegaan. Tegenwoordig vindt men oude beplantingen vooral in Limburg, Zeeland, het rivierkleigebied, het N.O. van Gelderland, het oosten van Overijsel en Drente. Terwijl Houtzagers in 1937 nog vermeldde dat 49% van het totale populierenareaal uit 'Serotina' bestond, bleek deze cultivar van het in 1959/1960 verkochte gecertificeerde plantsoen niet meer dan 7% uit te maken, een bewijs hoezeer onze oudste cultivar aan betekenis inboet.
Gedetailleerde botanische beschrijvingen zijn gegeven door Houtzagers, Broekhuizen en Mueller. Bij een inventarisatie door het Bosbouwproefstation in 1959 is gebleken dat in Nederland verschillende "vormen" van 'Serotina' moeten worden onderscheiden, die zich onder andere in bastkleur, kroonvorm en, wat belangrijk is, in resistentie tegen ziekten blijken te onderscheiden. Door het Instituut voor Bosbouwkundig Onderzoek wordt thans onderzocht of her hier om verschillende klonen gaat; volgens mondelinge mededelingen van Broekhuizen wijst het tot nu uitgevoerde morfologische onderzoek inderdaad in deze richting.
'Serotina' heeft een enigszins gebogen stam, welke onder vergelijkbare omstandigheden minder recht is dan die van 'Robusta' maar minder krom dan die van 'Marilandica'. De kroonvorm is sterk afhankelijk van de leeftijd en uiteraard van de toegepaste teeltmethoden. Jonge bomen hebben een vrij smalle kroon met spitse top, oudere bomen, mits ze niet te dicht opeen staan, een brede kroon, met in de bovenste helft omhooggebogen takken. Juist bij de oude boom echter treden verschillen in kroonvorm op, wellicht mede afhankelijk van de kloon waarmee men te maken heeft. De kroon is niet dicht bebladerd door het ontbreken van de vele korte zijtakjes (kortloten) die men bijvoorbeeld bij 'Robusta' aantreft.
Algemeen wordt aangenomen dat 'Serotina' een populier is voor de zware gronden. Dit vindt men in de literatuur o.a. bij Joachim Pourtet daarentegen noemt 'Serotina' een populier zonder bijzondere bodemeisen. Nu bestaan oude beplantingen in onze kleistreken overwegend uit 'Serotina', maar dit wil niet zeggen dat op deze gronden 'Serotina' de beste groeier is, noch dat hij op lichtere gronden niet zou willen groeien. Beplantingen van de laatste 15 jaren op de zeer zware komkleigronden hebben aangetoond dat 'Robusta', 'Heidemij' en vooral 'Gelrica' hier vergeleken met 'Serotina' even goed of beter groeien. Aan de andere kant vindt men goede 'Serotina'-beplantingen op lage, vruchtbare zandgronden. Deze beplantingen hebben echter op latere leeftijd, vooral na 25 jaar, eerder en meer van taksterfte te lijden dan die op kleigronden. Dit staat in verband met het feit dat oudere 'Serotina' ongunstiger dan andere cultivars reageert op droogtegevoelige gronden; dit was o.a. in 1959 duidelijk merkbaar. Ik ben het dan ook voor onze omstandigheden bepaald niet eens met de opvatting van Joachim dat lagere omlopen van 'Serotina' vooral op zandgronden mogelijk zijn.
De eisen aan de luchthuishouding en aan de chemische toestand van de bodem zijn voor al onze Aigeiros-cultivars ongeveer gelijk; ze zijn uitvoerig beschreven in het "Handboek voor de Populierenteelt".
Praktijkervaringen hebben uit gewezen dat in de kuststreken 'Serotina' gevoeliger is voor wind dan 'Robusta' en 'Heidemij'.
Het zeer laat uitlopen van 'Serotina' wordt veelal beschouwd als een voordeel in verband met het optreden van nachtvorst. Men kan echter niet spreken van een bepaalde gevoeligheid voor nachtvorst, omdat deze gevoeligheid samenhangt met het stadium van ontwikkeling van bladeren en jonge scheuten; zijn de bladeren net ontvouwd en zijn al kleine scheutjes aanwezig, dan is de gevoeligheid bij alle cultivars het grootst. Welke cultivars van nachtvorst te lijden hebben hangt er dus helemaal van af wanneer de nachtvorst optreedt. Treedt hij laat op dan kan 'Serotina' net in het gevoelige uitloopstadium verkeren en komt bijvoorbeeld 'Robusta' er goed af, bij eerder optreden van vorst kan het omgekeerde het geval zijn.
Wat betreft zijn gevoeligheid voor ziekten is 'Serotina' beslist geen aantrekkelijke populier. Hij is extreem gevoelig voor roest (Melampsora larici-populina). Waar hij in de nabijheid van lariks, de tussenwaardplant voor deze roest staat, groeit 'Serotina' slecht en sterft geleidelijk af. Met zijn gevoeligheid voor roest hangt nauw samen zijn gevoeligheid voor Cryptodiaporthe populea (shorsbrand, in de praktijk nog steeds Dothichiza genoemd). Het optreden van deze ziekte in pas aangelegde beplantingen kan voor een groot deel worden voorkomen door spuiten tegen roest in kwekerijen; dit spuiten is bij 'Serotina' minder effectief dan bij andere cultivars.
De meeste zorgen geeft een taksterven van oudere 'Serotina' (ouder dan ongeveer 20 jaar) waarvan de oorzaak nog niet bekend is, maar waarbij verschillende factoren een rol spelen. Eerder is al opgemerkt dat dit verschijnsel vooral optreedt op zandgronden, maar het wordt ook op kleigronden, zij het minder rigoureus, steeds meer geconstateefd. In de afstervende kroondelen vindt men veelvuldig schorsbrand, een bewijs dat de vochtvoorziening van de boom door welke oorzaak dan ook verstoord is. Rohmeder vermeldt dit taksterven bij beplantingen van 'Serotina' in Zuid-Duitsland, waarbij hij zich afvraagt of het hier niet om een ouderdomsverschijnsel van deze al eeuwen oude kloon gaat; dit zou betekenen dat de 'Serotina' vrij snel en definitief op zijn retour is.
Deze verouderingstheorie is echter niet bewezen; in verschillende landen wordt hij onderzocht. Joachim beschrijft een soortgelijk ernstig taksterven van 'Serotina' in Oost-Duitsland; dit rampspoedige verschijnsel treedt op onder de meest uiteenlopende omstandigheden. Joachim wijt het taksterven van 'Serotina' aan extreme vorst in bepaalde jaren, zoals die in februari 1956; hij zegt wel dat de ouderdom van de kloon hierbij een rol kan spelen. In Nederland trad het taksterven ook al voor 1956 op, maar neemt wel steeds ernstiger afmetingen aan. In ieder geval treedt het versterkt op waar bodem- of klimaatsomstandigheden de vochtvoorziening van de boom benadelen.
Ik ben nogal uitvoerig op de gevoeligheid van 'Serotina' voor ziekten ingegaan, omdat ik er van overtuigd ben dat om deze reden het planten van deze cultivar, zolang niet meer bekend is over kloonverschillen, in Nederland niet meer moet worden aanbevolen. In Ost-Duitsland en in Oostenrijk is hij al uit de handel genomen, overal elders wordt hij steeds minder aangeplant.
---