DE PRAKTISCHE BETEKENIS VAN VERSCHILLENDE POPULIERECULTIVARS

(H.A. Van der Meiden - Wageningen - Holland - 1962)

Home

Ons bereiken geregeld verzoeken uit de praktijk met betrekking tot de bruikbaarheid van de verschillende populierecultivars bij bepaalde groeiplaatsomstandigheden. De cultivarkeuse is inderdaad van grote betekenis voor de resultaten die de beplanting zal opleveren. Het is moeilijk en het zal moeilijk blijven om een afgerond beeld te krijgen van de voor de teelt belangrijke eigenschappen van de cultivars. Toch is door het onderzoek van de laatste jaren wel zoveel van deze eigenschappen bekend geworden, dat het nutting is die kennis in enkele publikaties samen te vatten. Na een algemene inleiding zullen in een aantal volgende berichten de belangrijkste populierecultivars worden behandeld.

Wanneer hier over de "belangrijkste populierecultivars" wordt gesproken, beperken wij ons tot de door de N.A.K.B. gecontroleerde populieren, en wel de cultivars Serotina, Marilandica, Gelrica, Heidemij, Robusta en Robusta Zeeland, Regenerata (=Serotina erecta), Champagne (=Keppels Glorie) en I 214.

Bij het lezen van de vorengenoemde berichten zal de populierenteler wellicht tot de conclusie komen, dat het dringend gewenst is ons sortiment gecontroleerde cultivars uit te breiden. Deze conclusie is juist. Dit is ook de reden waarom het Bosbouwproefstation sinds vele jaren bezig is met het maken van nieuwe hybriden, een werk dat, voorzover het zich nu laat aanzien, tot goede resultaten heeft geleid. Het zal echter duidelijk zijn dat dergelijk nieuwe populieren, waarnaar door de praktijk geregeld wordt geinformeerd, eerst een periode van toetsing op groeieigenschappen en op resistentie tegen de belangrijkste ziekten moeten doormaken; wel wordt getracht de duur van deze periode tot een verantwoord minimum te beperken.

In bovenstaande is alleen gesproken over populieren van de Aigeiros-groep, niet over die van de Leuce-groep (trilpopulier, abeel), en van de Tacamahaca-groep (balsempopulieren), noch over de veelbelovende hybriden tussen Aigeiros-en Tacamahaca-populieren. Het heeft namelijk weinig zin om te spreken over de praktische betekenis van populieren die nog geheel in het selectie- en toetsingsstadium verkeren en waarvan dus geen gegarandeerd goed plantsoen in de handel verkrijgbaar is. Wel kan worden opgemerkt, dat bij deze selectie het Bosbouwproefstation voor ogen heeft de praktijk populieren te verschaffen die met succes op groeiplaatsen kunnen worden geplant, waar de handels-Aigeiros-cultivars niet of met slechts matig resultaat kunnen worden gebruikt. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan populieren met een grotere resistentie tegen wind, of met lagere eisen aan de grond.

Bij de bespreking van de populierecultivars zal zo weinig mogelijk worden gezegd over hun botanische eigenschappen. Deze zijn elders uitvoerig beschreven, o.a. door Broekhuizen in een brochure van N.A.K.B., en door Houtzagers en Broekhuizen in het "Handboek voor de Populierenteelt". In dit handboek geven deze auteurs enkele zeer bruikbare determinatie-tabellen. Ook de algemeen geldende teeltmethoden zijn daar uitvoerig beschreven en worden dan ook in de volgende Berichten niet bij elke cultivar vermeld.

Als de vraag wordt gesteld welke populierecultivars in een bepaald geval moeten worden gebruikt, neemt men meestal aan dat er duidelijke verschillen in 'bodemeisen' tussen de verschillende Aigeiros-cultivars bestaan. Deze idee is ook door verschillende auteurs naar voren gebracht. Op grond van eigen onderzoekresultaten en van recente proefnemingen in het buitenland willen wij er de nadruk op leggen dat deze opvatting slechts in een enkel geval juist is, maar voor een groot deel niet op verantwoorde onderzoek-resultatenberust. Het is gebleken dat verschil in groei tussen cultivars op eenzelfde bodemtype bijna altijd door andere factoren dan verschil in bodemeisen moet worden verklaard; deze factoren kunnen dan zijn erfelijke groei-eigenschappen, ziekten, meer of minder goede wortelontwikkeling dadelijk na het planten, teeltmethoden (plantafstand!), klimaat e.a. Vaak zijn conclusies over verschillen in bodemeisen gebaseerd op lakale ervaringen en dan blijkt dikwijls de invloed van die andere groeifactoren te weinig te zijn onderkend. Zo is bij het onderzoek van het Bosbouwproefstation gebleken dat grote verschillen in groei van verschillende cultivars, toegeschreven aan verschillen in bodemeisen, soms worden veroorzaakt door de voorheen onschadelijk geachte, veel voorkomende bladroest, die niet alle cultivars in gelijke mate aantast.

In een drietal oude cultivarproefvelden van de Nederlandsche Heidemaatschappij bleek dat bij omstandigheden die voor de ontwikkeling van de bomen gunstig zijn, zoals het ontbreken van belangrijke ziekten en een goede onkruidbestrijding in de jeugd, de cultivars Marilandica, Serotina, Heidemij, Robusta en Keppels Glorie zeer weinig groeiverschillen vertonen. In de twee andere proefvelden deden vooral ziekten de groeiverschillen ontstaan. In het proefveld Elst groeide alleen de 'Gelrica' duidelijk beter dan de andere klonen; deze cultivar geeft ook in de andere proefvelden de hoogste produktie, 'Gelrica' is dus door genetische eigenschappen een betere houtproducent dan onze andere handelscultivars, misschien met uitzondering van 'I 214', waarover nog te weinig bekend is.

Hieruit mag niet zonder meer worden geconcludeerd dat nu maar overal 'Gelrica' moet worden aanbevolen. Ook deze cultivar heeft bezwaren, bijvoorbeeld zijn gevoeligheid voor wind, bij dichte stand gevoeligheid voor bastvlekkenziekte, gevoeligheid voor Marssonina, allemaal eigenschappen die onder bepaalde omstandgheden een rol kunnen spelen. Zo heeft elke populier zijn voordelen maar ook zijn bezwaren. Het gaat er alleen maar om dat men weet waar en wanneer deze bezwaren een dusdanige betekenis gaan krijgen dat de cultivar niet voor de betreffende beplanting in aanmerking komt.

Plant men populieren op een daarvoor geschikte grond, en wil men weten welke cultivar moet worden gekozen, dan moet met de volgende factoren rekening worden gehouden:

1) De soort beplanting (bos, rijen).
2) De grootte van het areaal dat wordt beplant.
3) De plantafstand die, om welke reden dan ook, wordt gekozen.
4) De ziekten die men ter plaatse kan verwachten; dit kan bepaald worden door de omgeving, de bodemtoestand, de aard van het te gebruiken plantsoen e.a.
5) De klimatologische omstandigheden (wind, vorst) ter plaatse.
6) Eventuele houtproduktie voor bepaalde industriele doeleinden.
7) De vraag of aan de betreffende beplanting naast houtproduktie nog een andere functie wordt toegekend.

Voorlopig zal slechts in enkele gevallen het bodemtype een directe invloed op de cultivarkeuse uitoefenen.

Na de hierna volgende serie berichten over de praktische bruikbaarheid van populierecultivars zal in een afsluitende publikatie op de vorengenoemde punten nader worden ingegaan, waarbij we tevens zullen komen tot een voorlopige vaststelling van de onder verschillende omstandigheden aan te bevelen cultivars.

-------