Populus canadensis ' Marilandica'

Home - Variétés

(H. A. Van der Meiden - Wageningen - Holland - 1962)

 'Marilandica' is na 'Serotina' lange tijd onze belangrijkste populier geweest. Hij heeft dan ook talrijke volksnamen, zoals Brabantse stander, Meipeppel, Virginische populier, Hollander en Zeeuwse witte populier; als men in het zuiden van ons land over de "Canada-peppel" spreekt, wordt vrij zeker de 'Marilandica' bedoeld. Houtzagers gaf een uitvoerige beschrijving van de botanische kenmerken, later aangevuld en herzien door Mueller en Sauer en Broekhuizen.

De 'Marilandica' is vermoedelijk al voor 1800 ontstaan en werd over grote delen van Europa verspreid. Hij komt o.a. voor in Nederland, Duitsland, Belgie, Engeland, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Volgens Houtzagers was in de dertiger jaren ongeveer 43% van de Nederlandse populieren 'Marilandica', maar nu maakt hij nog slechts 3% van het gecertificeerde populierenplantsoen uit.

'Marilandica' is vrouwelijk, komt vroeg in het blad en is bijna altijd gekenmerkt door een meer of minder kromme stam. De kroon is breed met meestal per "takkrans" één zeer zwaar ontwikkelde tak. De bovenkant van de kronen is rond of, op latere leeftijd, afgerond plat.

Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor het verminderen van de interesse van de populierentelers voor 'Marilandica'. Hij heeft in de kwekerij een minder gemakkelijke vorm, heeft een kromme stam, vormt vele en zware takken en vertoont een minder goede hoogtegroei. Daarnaast is in Noord-Brabant de aanplant in de laatste jaren geremd door het optreden van bladziekten, die een aanzienlijke groeivermindering en plaatselijk afsterven tot gevolg hebben gehad.

Anderzijds bestaat veel vraag naar 'Marilandica'-hout, dat door de lucifersfabricage algemeen als het meest geschikte populierenhout wordt beschouwd. De luciferindustrie maakt zich dan ook zeer bezorgd over de sterke achteruitang van de teelt van 'Marilandica'. Omdat deze industrie in Nederland toch nog altijd een van de belangrijkste afnemers van zwaar populierenhout is en voorlopig ook zal blijven, is het nodig dat men zich van de kant van de populierenteelt realiseert in hoeverre de bovengenoemde bezwaren er toe leiden dat de teelt van 'Marilandica' moet worden ontraden.

Vooropgesteld moet worden dat deze cultivar voor de kweker een minder gemakkelijke plant is dan bijvoorbeeld 'Robusta' of 'Heidemij'. Hij heeft veel en uitstaande takken en in de eerste jaren al de neiging krom te groeien. Daarbij treden grote verschillen op: uitgesproken kromme staan naast opvallend rechte exemplaren. Bij 'Gelrica' , ook geen gemakkelijke plant voor de kweker, vindt men in mindere mate hetzelfde. Volgens Mueller wordt dit veroorzaakt door de keuse van de stekken (inductie). In verband hiermee is het bij 'Marilandica' bijzonder belangrijk dat geen stekmateriaal van zijtakken wordt gesneden; de best vormen krijgt men uit stekken van topscheuten. In Duitsland prefereert men verder voor het verkrijgen van een goede vorm topstekken (langstekken), waarbij de jonge scheut zich uit eeneindknop en niet uit een zijknop kan ontwikkelen. Ook kan een aanmerkelijk betere vorm worden verkregen door kweken van planten met een eenjarige scheut op een tweejarige wortel.

Dat de kromheid van de 'Marilandica'-stam geen bezwaar voor zijn verwerking in de industrie is, blijkt wel uit de voorkeur van de lucifersindustrie voor deze cultivar.

De "takkigheid" van 'Marilandica' vormt een reeel bezwaar, daar hierdoor hoge eisen worden gesteld aan het snoeien van de bomen. Het snoeien is bij deze cultivar tijdrovend, dus duur door zijn vele en zware takken. Bovendien kan de vorm van de boom door een ondeskundige snoei ongunstig worden beinvloed, meer dan bijvoorbeeld bij 'Robusta' of 'Heidemij'. De opvatting in de praktijk, dat het moeilijk is van 'Marilandica' een 'goede boom' te krijgen, is dus juist. Wel moet worden opgemerkt, dat dit bij een goede groei beslist eenvoudiger is dan bij een matige of slechte proei.

Wanneer we de de groei van 'Marilandica' vergelijken met die van andere cultivars, dan moet onderscheid worden gemaakt tussen hoogte- en diktegroei. De hoogtegroei van 'Marilandica' blijft achter bij die van onze andere handelsklonen, hetgeen uiteraard duidelijker wordt naarmate de boom ouder wordt. Deze minder goede hoogtegroei wordt ook in het buitenland als een bezwaar gevoeld, vooral waar 'Marilandica', zoals in het 'Auewald', met andere klonen gemengd voorkomt en door zijn geringere hoogtegroei kan worden onderdrukt. Voldoende cijfers ontbreken om precies te kunnen beoordelen hoeveel deze geringere groei onder verschillende omstandigheden bedraagt. In de reeds gepubliceerde resultaten van de in 1933 aangelegde populierenproefvelden van de Nederlandsche Heidemaatschappij blijkt in ieder geval duidelijk, dat van de daarin voorkomende cultivars 'Marilandica' de minste hoogtegroei heeft, maar een van de beste is in diktegroei...

Ook op deze leeftijd blijkt 'Marilandica' een duidelijk geringere hoogtegroei te hebben dan de andere cultivars, maar in diktegroei weinig of niet te zijn achtergebleven.

In dit verband moet men wel bedenken, dat bij overigens foutvrije stammen het de diameter is die de prijs per m3 bepaalt en verder dat het werkelijk waardevolle, goed betaalde fineerhout zich in de onderste 4, soms 6 m bevindt. In Duitsland, waar populierenhout gesorteerd wordt verkocht, wordt dit korte stuk van de stam dan ook aanzienlijk beter betaald dan de rest. Zodra het aanbod van populierehout in Nederland iets minder krap wordt dan nu het geval is, en de industrieen niet meer, zoals nu, moeten nemen wat ze krijgen kunnen, zal wel blijken dat de kwalitatief veel betere onderstammen vooral voor de fineer-, inbegrepen de lucifersindustrie, van aanzienlijk meer waarde zijn dan het gedeelte van de stam boven 4 à 6 m.

Dit is de reden waarom wij geloven dat geen overdreven waarde moet worden gehecht aan de mindere hoogtegroei van 'Marilandica', maar dat aan de andere kant ook moet worden gelet op zijn goede diktegroei en de belangstelling van bepaalde industrieen voor deze populier. Bovendien blijft tot nu toe deze cultivar ook bij een langere omloop dan 25 à 30 jaar gezond en behoudt hij een goede groei.

'Marilandica' is gevoelig voor wind, matig gevoelig voor roest (Melampsora larici-populina), vrij gevoelig voor Marssonina (een andere bladziekte), heeft onder normale omstandigheden zeer weinig te lijden van schorsbrand (Dothichiza) en is praktisch ongevoelig voor de bastvlekkenziekte. Doordat in Noord-Brabant sinds 1946 op vele plaatsen lariks en populier vlak bij elkaar voorkomen, komt daar geregeld een zware roestaantasting van populier voor, die grote verliezen heeft veroorzaakt. Omdat 'Marilandica' daar de verreweg het meest voorkomende cultivar is, zijn de verliezen bij deze populier ook het meest spectaculair. Men moet echter wel bedenken dat deze omstandigheden uitzonderlijk zijn en dat beplantingen van 'Serotina' en 'Heidemij' veel zwaarder hebben geleden. Zolang de lariksbeplantingen in dit gebied aanwezig blijven, is er alleen het planten van de minst gevoelig handelsklonen, I 214 en 'Gelrica' verantwoord, en moet er naar worden gestreefd zo snel mogelijk nieuwe, minder gevoelig populieren in de handel te brengen. Al met al is, door het optreden van de roest, Noord-Brabant als belangrijk centrum van de teelt van 'Marilandica' thans grotendeels uitgeschakeld. Gelukkig wordt hij in Oostelijk Flevoland weer meer aangeplant.

De toekomst van 'Marilandica' in ons land ziet er niet erg rooskleurig uit, evenmin trouwens als die in het buitenland. Toch verdient deze cultivar meer aandacht van deskundige telers dan thans het geval is; in verband met zijn moeilijke vorm moet hij bij voorkeur in opstandsverband of op beschutte plaatsen en op de vruchtbare, zwaardere gronden worden aangeplant.

Overzicht von de belangrijkste eigenschappen van 'Marilandica':

1) Een populier die in de kwekerij meer zorg vraagt dan de meeste andere cultivars. Het percentage mislukte stekken is zeer gering. In verband met de vorm van de plant is de herkomst van de stek belangrijk.
2) Een populier die ook voor gebruik bij lange omloop geschikt is.
3) Een populier met een bochtige stam, een zwaar ontwikkelde kroon, een relatief geringe hoogtegroei maar een goede diktegroei. De ongunstige eigenschappen spelen een minder belangrijke rol naarmate de groeiplaats beter is.
4) Een populier die vrij gevoelig is voor enkele bladziekten, die weinig last heeft van schorsbrand, en praktisch niet te lijden heeft van de bastvlekkenziekte; om de laatste reden is hij geschikt voor opstanden. Hij is gevoelig voor wind.
5) Een populier die gevoelig is voor eenzijdige beschaduwing; hij groeit dan sterk gebogen naar het licht toe.
6) Een populier die om zijn houtkwaliteit door de lucifersindustrie meer dan enige andere handelscultivar wordt gewaardeerd.

---