Populus canadensis ' Heidemij '

Home - Variétés

(H. A. Van der Meiden - Wageningen - Holland - 1962)

 In de tweede helft van de vorige eeuw hadden populieren van de soort P. deltoides in Noord-Brabant in sterke mate te lijden van taksterfte. Men was het niet eens over de oorzaak van dit verschijnsel maar achtte het in elk geval gewenst nieuwe populierenklonen te gaan gebruiken in de hoop dat deze resistent zouden zijn. Daar de inheemse P. nigra als inferieur aan P. deltoides werd beschouwd, zocht men het in import uit Noord-Amerika. Omstreeks 1885 werden op verzoek van de heer Vorsterman van Oyen te Moergestel door bemiddeling van de Minister van Binnenlandse Zaken stekken van P. deltoides geimporteerd. Daarna, in 1891, geschiedde dit nogmaals door de Nederlandsche Heidemaatschappij, op verzoek van de Noordbrabantsche Maatschappij van Landbouw.

Over de eerste import is verder weinig bekend, over de tweede meer. De stekken voor de Nederlandsche Heidemaatschappij werden als P. monilifera geleverd door de kwekerijen van Meehan te Germantown. In Nederland werd over deze populier alleen als de "Amerikaanse populier" gesproken. Pas door Houtzagers is deze import als P. deltoides var. missouriensis beschreven. Tegenwoordig zou hij dan P. deltoides subspecies missouriensis moeten heten, ware het niet dat enkele jaren geleden door kruisingsonderzoek is ontdekt dat de populier, die wij als deze import beschouwen, geen zuivere P. deltoides is maar, evenals 'Serotina' en onze andere handelscultivars, een hybride tussen P. deltoides en P. nigra. Dit is ook zeer goed mogelijk omdat in de V.S. sinds enkele eeuwen zeer veel P. nigra, met name 'Italica', voorkomt.

De Nederlandsche Heidemaatschappij heeft ongeveer 3600 stekken van de "Amerikaanse populier" ingevoerd, en het moet als waarschijnlijk worden aangenomen dat deze uit meer dan één kloon bestonden. De stekken werden grotendeels aan de leden van de Ned. Heidemij verkocht; deze behield zelf een aantal ter vermeerdering waaruit blijkens haar jaarverslagen, tot 1900 nieuw materiaal ter beschikking is gesteld. Van 1900 tot 1930 is niets over deze populier bekend. In 1930 schreef Meelker over de import van de Ned. Heidemij: "de bomen, die hiervan gegroeid zijn, zijn grotendeels weder gehakt en van nakomelingen weet men weinig. In ieder geval zijn de goede soorten hier en daar op den achtergrond geraakt of verbasterd". Men heeft na 1930 volgens Teerink "in de meest uiteenlopende streken van ons land beplantingen gevonden, waarvan met zekerheid kan worden nagegaan, dat zij afkomstig zijn van de hiervoor genoemde (geimporteerde) stekken". In elk geval zijn dan deze stekken niet alle van Populus deltoides ss. missouriensis maar van hybriden met P. nigra afkomstig geweest en moet onze uit deze import stammende handelscultivar, die ongetwijfeld zo'n hybride is, Populus canadensis 'Heidemij' worden genoemd.

Zijn botanische eigenschappen zijn door Broekhuizen uitvoerig vermeld. Voor de praktijk belangrijke kenmerken van 'Heidemij' zijn: Een rechte stam, dunne takken, die schuin omhoog en in "kransen" staan, door de vele kortloten een dichte bebladering, en een dunne schors, die platte platen vormt. De onderste dunne takken hangen veelal naar beneden met weer naar boven omgebogen uiteinden. Een typisch kenmerk bij eenjarige scheuten van 'Heidemij' wordt gevormd door een aantal zeer lange lenticellen; deze zijn bovendien onder de bladaanzet veel talrijker dan elders op de scheut. "Heidemij" lijkt in habitus zeer veel op 'Robusta' en is hiervan op een afstand ook voor deskundigen nauwelijks te onderscheiden.

De Populus 'Heidemij' heeft geleidelijk een niet onbelangrijke plaats in de Nederlandse populierenteelt ingenomen, zoals blijkt uit ... Men vindt oudere 'Heidemij'-beplantingen vooral in het centrum van Noord-Brabant (de driehoek Liempde-Veghel-Best). Sinds de oorlog is echter op grotere schaal overal 'Heidemij' aaneplant. Dit wijst er toch wel op dat deze populier aantrekkelijke eigenschappen bezit. De voorlopige ervaringen in Duitsland en Engeland zijn eveneens goed. Het is opvallend dat in onze literatuur over populier deze cultivar weinig of in het geheel niet wordt genoemd, noch in gunstige noch in ongunstige zin. 'Heidemij' is dus bepaald geen populier die in enigerlei opzicht van zich heeft doen spreken. Toch is dit min of meer ten onrechte het gaval, omdat deze cultivar enkele belangrijke voordelen maar ook nadelen heeft.

'Heidemij' heeft een rechte stam en betrekkelijk dunne takken, eigenschappen die door de telers op prijs worden gesteld. Hij is door zijn vorm en doordat hij gemakkelijk te stekken is, een prettige plant voor de kwekers. Een andere goede eigenschap is zijn betrekkelijke grote resistentie tegen wind, waardoor hij met 'Robusta' de meest waardevolle populier voor onze kuststreken is.

Een belangrijk nadeel van 'Heidemij' is zijn grote gevoeligheid voor roest, Melampsora larici-populina. In de door roest geteisterde populierenbeplantingen in het midden van Noord-Brabant is zijn eol dan ook uitgespeeld. Door jarenlang herhaalde ernstige aantasting door roest komt de groei praktisch tot stilstand, terwijl uiteindelijk de bomen geleidelijk of plotseling door Dothichiza worden gedood. Men dient daarom geen 'Heidemij' te planten op plaatsen waar de betreffende roest te verwachten is, met andere woorden in de omgeving van lariksbeplantingen. Doordat er verband bestaat tussen de aantasting van populier door roest op de kwekerij en het optreden van Dothichiza na uitplanten in het veld, moeten de planten door de kwekers regelmatig tegen roest worden bespoten (inlichtingen bij de Plantenziektenkundige Dienst). Iedere teler zou eigenlijk bij de aankoop van populierenplantsoen moeten eisen, dat dit tegen roest is gespoten!

Verder is 'Heidemij' vrij gevoelig voor Marssonina, een gedurende de laatste jaren in verontrustende mate optredende bladschimmel, die bruine vlekken of stippen op de bladeren veroorzaakt en deze abnormaal vroeg doet afvallen. Het gevolg van een herhaald sterk optreden ziekte is gelijk aan dat van een zeer zware aantasting door roest. Over de bestrijding of het voorkomen van Marssonina is nog weinig bekend. In de kwekerijen schijnt een bespuiting met koperpreparaten goede resultaten te hebben. Het is nog niet bekend of het hevige optreden van Marssonina een periodiek verschijnsel is of dat men ook in de toekomst steeds met een sterke aanstating rekening zal moeten houden. In elk geval wordt bij het Bosbouwproefstation veel aandacht aan deze ziekte besteed.

'Heidemij' is onder normale omstandigheden (niet op zure gronden) resistent tegen bacteriekanker en heeft weinig te lijden van de bastvlekkenziekte. Dit laatste geeft hem in dichte beplantingen (bv. 4 X 4 m) een groot voordeel boven 'Robusta'. Hij is ook aanmerkelijk minder gevoelig voor het optreden van vorstscheuren, echter evenzeer gevoelig voor laat optredende wintervorst, waardoor jonge bomen geheel of deels kunnen afsterven.

In een eerder verschenen publikatie in deze reeks, handelend over 'Serotina', is er al op gewezen dat nachtvorstschade aan populieren optreedt wanneer deze in een bepaald uitloopstadium verkeren. Indien de populieren dit gevaarlijke stadium voorbij zijn, is het eigenlijk alleen de 'Heidemij' die ook dan nog in ernstige mate van een zware nachtvorst te lijden kan hebben.

Over de groei van 'Heidemij' zijn ons weinig eijfers bekend. In delen van Noord-Brabant, waar vrij veel oude beplantingen van deze cultivar voorkomen, en waar een groeionderzoek mogelijk zou zijn, is de groei door aantasting door roest dermate beinvloed, dat zij geen maatstaf is voor de produktiemogelijkheden van 'Heidemij'. In de oude cultivar-proefvelden van de Ned. Heidemij blijkt deze populier beslist geen opvallende groeier te zijn en is wellicht te vergelijken met 'Serotina'. 

Het hout van 'Heidemij' wordt kennelijk geaccepteerd door de industrie, men hoort althans tot dusverre geen klachten. Dit is enigszins opmerkelijk omdat 'Heidemij' bijna altijd, ook in luchtdroge toestand, bruin kernhout heeft; bij de andere populieren, ook bij de door de industrie ongunstig beoordeelde 'Robusta', is dit veel lichter en meestal grijs getint.

Resumerend kan worden gezegd dat de 'Heidemij' enkele voordelen bezit die hem in bepaalde streken van ons land en bij bepaalde teeltmethoden tot een waardevolle cultivar stempelen. Daartegenover moet worden gesteld dat enkele nadelen hem plaatselijk voor aanplant beslist ongeschikt maken.

Overzicht van de belangrijkste eigenschappen van 'Heidemij':

1) Een populier die goed bestand is tegen wind en daarom van belang is voor onze kustprovincies.
2) Een populier die weinig gevoelig is voor de bastvlekkenziekte en daarom geschikt is voor aanplant bij kleinere plantafstand.
3) Een populier die zeer gevoelig is voor enkele bladziekten (roest en Marssonina), die een sterke groeivermindering en uiteindelijk afsterven tot gevolg hebben. Hij moet beslist niet in een gebied aangeplant worden waar veel roest optreedt, dus in de omgeving van lariks.
4) Een populier die zeer gevoelig is voor voorjaarsvorst en ook voor late wintervorst. Deze kunnen aantasting door Dothichiza en afsterven tot gevolg hebben.
5) Een populier waarover noch door de populierentelers noch door de industrie veel pro contra wordt gezegd. Men mag dus wel aannemen dat de ervaringen zowel omtrent groei als over houtkwaliteit bevredigend zijn zonder aanleiding te geven tot uitgesproken enthousiasme.

---