
Populus canadensis ' Gelrica' ![]()
(H. A. Van der Meiden - Wageningen - Holland - 1962)
'Gelrica' is onze enige gebruikspopulier waarvan vaststaat dat hij uit Nederland afkomstig is. Hierover zijn door Houtzagers uitvoerige mededelingen gedaan. In het kort komen deze er op neer dat 'Gelrica' omstreeks 1860 in de Achterhoek, waarschijnlijk ergens tussen Lochem, Geesteren en Borculo is ontstaan. Enkele jonge zaailingen werden gevonden door de heer Kok, wiens zoon ze afstekte en vermeerderde. De oudste ons nu bekende exemplaren, 60 à 70 jaar oud, staan te Warnsveld, Stadskanaal en De Steeg.
Gedurende lange tijd is 'Gelrica' voornamelijk aangeplant in de Achterhoek, in de streek tussen Steenderen, Doetinchem en Ruuelo, waar hij nog steeds verreweg de belangrijkste populier is. Zo populair als de 'Marilandica' in Noord-Brabant was, is de 'Gelrica' in de Achterhoek. De teelt van beide cultivars, elk in hun eigen gebied, is vooral door landbouwers sterk bevorderd. Pas in de laatste decennia is 'Gelrica' ook in andere streken van ons land geleidelijk meer aangeplant en tegenwoordig is hij zelfs na 'Robusta' de meest gevraagde populier. Uit afb. 1 blijkt dat in 1960 23% van alle gecertificeerde populierplanten uit 'Gelrica' bestond. Dit percentage zal nog hoger liggen als men ook het niet gecertificeerde plantsoen meetelt; het grote aantal 'Gelrica', dat jaarlijks in de Achterhoek wordt geplant, bestaat namelijk voor het grootste deel uit niet gecertificeerde planten of poten, door de telers zelf gekweekt of ter plaatse gekocht bij andere telers.
In het buitenland gaat men de goede eigenschappen van deze cultivar steeds meer waarderen, vooral in Duitsland. In Zuid-Europa echter geldt hij, vergeleken met Italiaanse klonen, als een maar zeer middelmatige groeier.
De botanische eigenschappen van 'Gelrica' zijn door Houtzagers en Broekhuizen uitvoerig beschreven. In dit verband is het goed om op te merken, dat vooral ervaren 'Gelrica' - telers de onder N.A.K.B.- controle verkochte kloon, niet als dezelfde beschouwen als hun "Baakse Witte" (de bekendste volksnaam van 'Gelrica'). De laatste zou harder groeien en een stam met minder donkere schorsvorming hebben; de stam is, zoals men dan zegt, "wit" en niet "zwart". Dit verklaart ook waarom vele van deze telers geen N.A.K.B.-gekeurd plantsoen willen kopen. In verband hiermee is door het Bosbouwproefstation enkele jaren geleden een uitgebreide inventarisatie in de Achterkoek verricht. De resultaten hiervan zijn gepubliceerd. Ze wijzen inderdaad in de richting van het bestaan van van verschillende 'Gelrica' - klonen; een aantal selecties zal in de komende jaren worden vergeleken met de handelskloon. Voorlopig mag beslist niet als zeker worden aangenomen dat de laatste minder hard groeit dan andere 'Gelrica'-klonen. Voorts willen wij de mogelijkheid niet uitschakelen dat door de andere vermeerderingswijze van populier in de Achterhoek (veelal poten uit de top van oude bomen) een boom met enigszins afwijkende kenmerken ontstaat. Ook dit laatste is in onderzoek.
In het algemeen heeft 'Gelrica' een iets bochtige stam, grotendeels, wit, met soms lichte, soms zwaardere schorsvorming, en met horizontale, uitstekende schorsribbels. De kroon is breed en niet zwaar vertakt. De takken hebben vaak een typische bajonet-achtige vorm, vooral duidelijk bij goed groeiende jonge bomen, veroorzaakt doordat een zijtak sterker ontwikkeld is dan het doorgaande deel van de tak.
Van onze bekende in de handel zijnde cultivars is 'Gelrica' de beste houtproducent, voornamelijk door zijn betere diktegroei; hierbij laten we de I 214 buiten beschouwing, omdat deze nog te kort en te weinig in ons land is aangeplant om al betrouwbare gegevens te leveren. De relatief hoge produktie van 'Gelrica' blijkt duidelijk uit de resultaten van de oudste populierenproefvelden van de Nederlandsche Heidemaatschappij. Uit de publikatie waarin deze resultaten zijn verwerkt ontlenen wij de in tabel ... vermelde gegevens. De goede groei van deze populier blijkt ook bij vergelijking van enkele 12-jarige wegbeplantingen in de Nooroostpolder, met een plantafstand van 3,3 m en op hetzelfde bodemtype aangelegd met plantsoen, vermeerderd uit N.A.K.B.- gekeurd materiaal.
'Gelrica' is mating gevoelig voor roest (Melampsora larici-populina). Hij heeft na het planten zeer weinig te lijden van Dothichiza.
Tot nu toe is alleen gewezen op de voordelen van 'Gelrica'; hij heeft echter ook enkele ongunstige eigenschappen.
'Gelrica' is op de kwekerij geen gemakkelijke plant; hij groeit vooral in het eerste jaar krom. Als eenjarige plant heeft hij praktisch geen zijtakken en wordt, wanneer hij als zodanig wordt uitgeplant, dan ook gemakkelijk door wild beschadigd. Vooral reebokken hebben een voorkeur voor 'Gelrica'.
Verder is 'Gelrica' gevoelig voor Marssonina, een in de laatste jaren nogal veel voorkomende bladziekte. In dicht geplante opstanden en laanbeplantingen is hij gevoelig voor de bastvlekkenziekte, die de groei en de houtkwaliteit nadelig beinvloedt.
'Gelrica' is aanzienlijk minder tegen wind bestand dan 'Heidemij' en 'Robusta', en speelt om deze reden in ons kustgebied een ondergeschikte rol.
Omdat de genoemde nadelen nauwelijks in staat zullen zijn de populariteit van 'Gelrica' te tempere, is het goed hier iets naar voren te brengen dat eigenlijk voor al onze populieren geldt. Al onze cultivars bestaan uit klonen, hetgeen wil zeggen dat bijvoorbeeld alle 'Gelrica'-planten die men onder N.A.K.B.-controle koopt, uit één boom afkomstig en daarom identiek zijn. Dit betekent dat, indien deze 'Gelrica' door een ziekte wordt aangetast, geen van de bomen hiertegen door erfelijke eigenschappen resistent is. Ze zijn dus alle in dezelfde mate gevoelig, wat bij een ernstige ziekte tot grote verliezen kan leiden. Daarom bergt een te grote eenzijdigheid bij de cultivarkeuse gevaren in zich, gevaren die men zich in het algemeen te weinig realiseert. Men zal zich in dit verband nog wel herinneren hoe de populierekanker de teelt van 'Brabantica', de Heeswijkse witte, in Nederland volkomen ommogelijk heeft gemaakt. Verder zij nog gewezen op de ernstige omvang die de schade door roest in Noord-Brabant heeft aangenomen, mede doordat daar te weinig variatie in de cultivarkeuse is toegepast.
Het hout van 'Gelrica' wordt in het algemeen door de industrie gunstig beoordeeld. De snelle diktegroei schijnt geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het hout te hebben. Daarbij heeft 'Gelrica' het voordeel dat het kernhout bijna steeds licht grijsgroen van kleur is; andere cultivars is het nogal eens, vooral direct na de velling, donkerbruin.
Resumerend moet worden gezegd dat 'Gelrica' een van onze beste populieren is, waarbij men er op bedacht moet zijn dat zijn aanplant niet riskant grote afmetingen gaat aannemen. Hier ligt een verantwoordelijke taak voor hen die de populierentelers van advies moeten dienen.
Overzicht van de belanggrijkste eigenschappen van 'Gelrica':
1) Een populier die, op uiteenlopende bodemtypes, bij eenzelfde hoogtegroei
als andere cultivars een aanmerkelijk betere diktegroei heeft, mogelijk met
uitzondering van I 214. Deze goede diktegroei is ook bij 40 à 50 jaar oude
bomen nog aanwerig.
2) Een populier die in verband met zijn gevoeligheid voor de bastvlekkenziekte
in opstanden niet dichter dan 7 X 7 m, in laanbeplantingen niet dichter dan 5 m
moet worden geplant.
3) Een populier die gevoelig is voor de bladziekte Marssonina, matig gevoelig
voor roest en die na het planten zelden van Dothichiza heeft te lijden.
4) Een populier die in de kuststreken gevoelig voor wind blijkt te zijn. Het
vaak voorkomen van sabelvoeten is te voorkomen door geen gebruik te maken van te
lang en te slap plantsoen.
5) Een populier met hout dat in het algemeen door de industrie wordt
gewaardeerd.